De technische genialiteit van de mens heeft altijd het doel gehad om het leven op deze planeet eerst productief, daarna gemakkelijker en uiteindelijk steeds comfortabeler te maken. De arbeid van ingenieurs en ambachtslieden heeft zowel nuttige als verwoestende resultaten voortgebracht. Tot in de midden van vorige eeuw werkten mensen in harmonie met de natuurlijke hulpbronnen en de regeneratiemogelijkheden van de natuur.
Als gevolg van de successen van een andere discipline, de medische wetenschap die ook door ingenieurskennis wordt gesteund, is de levensverwachting van het individu in de afgelopen 150 jaar buitengewoon toegenomen. Dit heeft geleid tot een ongekende bevolkingsgroei. De druk die dit op de natuurlijke hulpbronnen en regeneratiemogelijkheden uitoefent, heeft het evenwicht tussen beide fundamenteel verstoord. De mensheid als levensgemeenschap op aarde is niet in staat geweest haar levensstijl en behoeften aan te passen aan de mogelijkheden van haar omgeving.
Er wordt steeds bewuster ervaren dat het gebruik van de eindige natuur zijn grenzen nadert. Nog bezorgender is dat geen enkele discipline die wereldwijd probeert deze verbanden te onderzoeken, tot nu toe een sluitende antwoord heeft op de vraag naar de draagkracht en regeneratiemogelijkheden van onze aarde. De meningen variëren tussen pessimisten die denken dat de grens, voorbij waarvan er geen terugkeer meer mogelijk is, al overschreden is en optimisten die ervan overtuigd zijn dat effectieve maatregelen kunnen worden genomen om deze grens te verplaatsen naar het volgende millennium van onze kleine menselijke tijdrekening. De discussie wordt echter niet bepaald door objectiviteit, maar gedragen door groeps-egoïsme en opportunisme, waarbij er met onverantwoordelijk risico wordt gespeeld.

